Besturing van de coöperatie

Sterke ledenvergadering van de coöperatie

Bij een coöperatie is de algemene ledenvergadering het hoogste orgaan. Iedereen heeft in principe een gelijke stem, maar je kunt hier in de statuten ook van afwijken. De vergadering is minimaal 1 x per jaar, op verzoek van bestuur of van 10 % van de leden en wordt 7 dagen van tevoren aangekondigd. Je hoeft niet steeds bij elkaar te komen: een unaniem besluit van alle leden kan ook schriftelijk genomen worden.

De belangrijkste taken van de Algemene Ledenvergadering zijn de benoeming van de bestuurder, het toelaten van nieuwe leden en het vaststellen van de begroting en jaarrekening. Ook kan de ledenvergadering regels en reglementen vaststellen en toestemming geven tot het doen van investeringen of grote verkopen.

Beperkte macht van de bestuurder

In onze opzet is de bevoegdheid van de coöperatiebestuurder sterk ingeperkt. Hij/zij is belast met het besturen van de coöperatie:

  • Het voorzitten van de Algemene Ledenvergadering
  • Het vertegenwoordigen van de coöperatie: beantwoorden van correspondentie etc.
  • Behoeden voor nadeel: bijvoorbeeld tegen claims van derden
  • Bijhouden van de leden- en financiële administratie

Daarnaast mag de bestuurder slechts beperkt verplichtingen aangaan, namelijk voor zover vastgelegd is in de jaarlijkse begroting of het tekenen voor offertes en opdrachten enkel voor zover afgedekt door toezeggingen van leden volgens de regels die daarvoor gesteld zijn.

Bestuurdersaansprakelijkheid

Bestuurdersaansprakelijkheid voor een coöperatie is net zo geregeld als voor een stichting of een BV. Belangrijk is dat de bestuurder geen verplichtingen aan gaat waartoe hij of zij niet bevoegd is of die de liquiditeit van de coöperatie in gevaar kunnen brengen. Daarnaast moet het bestuur een ledenadministratie bijhouden en een financiële administratie, en jaarlijks de (beknopte) jaarrekening deponeren bij de Kamer van Koophandel. Als het bestuur dit niet doet, dan moeten de bestuurders bij een eventueel faillissement aantonen dat ze goed bestuur hebben gevoerd, de bewijslast ligt dan bij hen.