Elinor Ostrom’s ‘Governing the Commons’ vertaald naar coöperaties

De VPRO heeft op 1 april 2018 een Tegenlicht aflevering uitgezonden met als titel ‘Ons gemeengoed‘. De centrale vraag daarin was of collectieven op een goede wijze een gemeenschappelijk bezit kunnen beheren, of dat de individuele belangen snel de overhand nemen. Dit werd daarin door hoogleraar Tine de Moor toegelicht.

The tragedy of the commons

Aan de ene kant werd verwezen naar ‘The tragedy of the commons‘ van Garrett Hardin, die er van uit gaat dat elke ‘Homo Economicus’ maximaal gebruik maakt van gezamenlijke middelen, bijvoorbeeld een put of een weide, zelfs als die middelen hierdoor uitgeput raken. Het hiervoor geschetste alternatief is privatisering: als één partij het gemeenschappelijke goed beheert, en iedereen betaalt voor wat hij of zij afneemt, dan is er dus niets meer gratis en nemen mensen alleen dat af wat ze echt nodig hebben.

Governing the commons

Hier tegenover werd het onderzoek gepresenteerd van Elinor Ostrom. Zij heeft een groot aantal gemeenschappen bezocht die hun bezit deelden en toch op goede wijze wisten te beheren. Te denken valt aan visgronden of bossen, of irrigatiesystemen op sawa’s, maar vertaald naar onze economie kan het ook een infrastructuur of netwerk zijn, of een gemeenschappelijk fonds.

Uit het onderzoek van Elinor Ostrom kwamen acht basisprincipes voor het beheer van dit soort gemeenschappelijke goederen. Dit heeft ze verwoord in haar boek ‘Governing the commons‘.

  1. Duidelijke definities van wat de gemeenschappelijke middelen zijn en wie de gebruikers zijn
  2. De regels zijn geschreven op de lokale situatie
  3. Gemeenschappelijke besluitvorming door de bezitters
  4. Zorg dat de gemeenschappelijke zeggenschap erkend wordt door de autoriteiten en overheden buiten de groep
  5. Er is een systeem om het gedrag van elke gebruiker te monitoren
  6. Er zijn steeds zwaarder wordende sancties voor diegenen die de regels overtreden
  7. Goedkope en laagdrempelige arbitrage bij geschillen
  8. Voor grootschalige commons bronnen een gelaagd systeem met lokale groepen

Vertaling naar coöperaties

Een deel van deze principes is al ingebed in de samenwerkingsvorm van een coöperatie:

  • De gemeenschappelijke goederen zijn eigendom van de coöperatie: dit is geregeld met het wettelijk eigendomsrecht (mits het eigendom formeel is overgedragen) en het verenigings/coöperatie recht geeft de basis voor hoe mensen lid van de coöperatie en daarmee gecombineerd eigenaar en gebruiker kunnen worden (principe 1).
  • De coöperatie ken een gemeenschappelijke besluitvorming in de algemene ledenvergadering of ledenraad (principe 3).
  • De gemeenschappelijke zeggenschap is wettelijk erkend (principe 4) en via de rechter is er een arbitrage mechanisme (principe 7). Dit arbitrage mechanisme is echter niet laagdrempelig.

Daarnaast is bij elke groep een hoeveelheid maatwerk nodig. Principe 2 geeft dit al aan. Voor elke situatie moet je kijken wat het economisch belang van de individuele leden is, wat het gemeenschappelijke of zelfs maatschappelijke belang is, en wanneer dit samenvalt of conflicteert. Wij zien dat de vertaalslag van deze belangen in statutaire of contractuele regels vaak de kern is van onze advisering.

Het economische belang van de coöperatie

Een coöperatie is een rechtsvorm voor het realiseren ‘de economische behoeften van de leden’. Het grote verschil met een vereniging is dat er transacties zijn tussen de coöperatie en de leden. Dat kan zo simpel zijn als het halen van water uit een gemeenschappelijke put tot het afnemen van hoogwaardige diensten. Of het gebruik maken van de marketing en verkoopkracht van een coöperatie.

In veel gevallen is er een ledenovereenkomst die de transacties regelt tussen het lid en de coöperatie: hoeveel mag je van de coöperatie afnemen, betaal je daarvoor, op welke manier moet je in activiteiten bijdragen? Vaak zijn de rechten en verplichtingen wel opgenomen, maar de monitoring en de sancties niet. Dit is ook niet het meest prettige onderwerp om over te praten en consensus te krijgen, maar voor een langdurig succesvol beheer wel essentieel (principes 5 en 6). Het instellen van een soort Raad van Arbitrage kan met name voor grotere collectieven een goede keus zijn, bij kleine groepen is er daarvoor vaak teveel belangenverstrengeling, en val je dus terug op de rechter (principe 7).

Bij grotere collectieven raken de leden vaak de binding met de gemeenschappelijke organisatie kwijt, bijvoorbeeld bij melkveehouders coöperaties waar de leden een ledenraad kiezen, die dan weer een raad van bestuur controleert, met daaronder een grote organisatie. Een gelaagd systeem van inspraak (principe 8) biedt dan een oplossing. Dit kan erg goed met de kringengedachte uit de sociocratie. Ook die kringen vallen goed in te bedden in een coöperatie.

Samenwerken in een ‘common’

Als het belang van de leden bij de coöperatie puur economisch is, dan is dit vaak goed vorm te geven in statuten en contracten. Dat laat onverlet dat een groep wel op een goede manier met elkaar moet leren samen te werken.

In relatief kleine gemeenschappen, zoals Elinor Ostrom deze heeft onderzocht, zijn er veel andere structuren die het gedrag van mensen bepalen. Je zit in de ‘common’ met je oom, de buurman of de leverancier van je schapen, mensen die je kent, en dat dwingt lange termijn gericht gedrag af, ook waar het gaat over samen vergaderen. Waar het in onze individuele maatschappij gaat om meer ‘gelegenheidscollectieven’, kan het nuttig zijn om aandacht te geven aan hoe de besluitvorming plaatsvindt. Dit om te zorgen dat iedereen aan bod komt en niemand overheerst. Wellicht zou dit een soort 9e principe moeten zijn.

Wanneer een groep een maatschappelijke voorziening beheert, met name waar het gaat om vastgoed, speelt nog een ander dilemma: als het vastgoed stijgt in waarde is het plotseling voor de beheerders gezamenlijk aantrekkelijk om dit te verkopen, en het maatschappelijke doel, bijvoorbeeld van goedkope huisvesting, los te laten. Dit levert een conflict op tussen de initiatiefnemers, die mogelijk niet eens meer in de groep zitten, en degenen die van de verkoop profiteren. Dit is wel te voorkomen, bijvoorbeeld met een blijvend instemmingsrecht door de initiatiefnemers of een overheid, maar vergt wel extra aandacht.

Conclusie

Kortom: het organisatorisch inrichten van een ‘common’ is wel een klus, maar niet één zonder richtlijnen. Eerder hadden we al een blog gepubliceerd over ‘vijf belangrijke bepalingen voor coöperatie statuten‘, de ontwerp principes van Elinor Ostrom geven hiervoor nog een groter kader aan.